reflectie:

reflectie:

Roos Euwe schrijft vanuit haar positie als vaste dramaturg van BOG. een reflectie rondom het werk en de werkprocessen van BOG. de afgelopen vier jaar. Ze wordt hierin bijgestaan door dramaturg Séba Hendrickx en vormgever Gerard Leysen van Afreux. Deze lente verschijnt een artikelversie in het tijdschrift Etcetera en rond dezelfde tijd de volledige publicatie.

 

Fragment

Fragment

Vijf jaar geleden begon BOG. met de poging van vier vierentwintigjarige theatermakers om in een voorstelling een geheel mensenleven opnieuw in te delen en te overzien. Het idee voor de voorstelling BOG. een poging het leven te herstructureren (2013) verbond Lisa Verbelen, Benjamin Moen, Judith de Joode en Sanne Vanderbruggen, allen geboren in 1988 en net afgestudeerd van toneelscholen in Maastricht en Amsterdam. Ze wilden proberen een gevoel van overzicht te creëren, iets dat in de buurt komt van het gevoel dat je kan hebben wanneer je in een opstijgend vliegtuig zit, naar beneden kijkt en ineens de structuur van de chaotische stad ziet. Hun poging om zo objectief mogelijk te zijn en geen oordeel te vellen over het leven, leidde tot een gezamenlijk geschreven tekst van vrijwel uitsluitend werkwoorden waarin één of meer mensenlevens chronologisch en gedetailleerd worden beschreven. De vier makers speelden de voorstelling zelf, naast elkaar staand op een kleine verhoging van grijze stenen. Na die voorstelling ontstonden er nieuwe ideeën voor nieuwe voorstellingen en werd BOG. opgericht, een collectie van vier theatermakers, een zakelijk leider (Anne Baltus) en een dramaturg (ik).

 

Sindsdien maken we voorstellingen en ontwikkelen we een taal, een manier van denken, schrijven en verbeelden. Elke voorstelling start als onderzoek naar een onderwerp dat te groot lijkt om te bevatten, een onderwerp waarvan het we het idee hebben dat het ons als mensen bindt en/of onderscheidt. De voorstellingen reageren inhoudelijk op elkaar en vormen samen een collectie die steeds uitgebreider en gevarieerder wordt. Als reactie en aanvulling op de poging zo objectief mogelijk een leven te beschrijven, bekeken we in onze tweede voorstelling MEN. de mening herzien (2014) iets dat overduidelijk subjectief is. Hoewel het oorspronkelijk niet de bedoeling was om tekstvoorstellingen te maken heeft BOG. nu na vijf gezamenlijke voorstellingen een specifieke stijl waarin klank, ritme, woord en beeld gelijkwaardig zijn aan elkaar. Gaandeweg ontdekken we dat in een voorstelling een meerstemmig geheel willen creëren waarin verschillende perspectieven op één ding naast elkaar worden gelegd, uitgestald, opgesomd. Dat we voorstellingen willen maken waarin we we grote, complexe aspecten van het leven willen vatten zonder ze te versimpelen.

Net als de voorstellingen komt deze tekst voort vanuit het verlangen om uit te zoomen en iets opnieuw te bekijken, namelijk de ontwikkeling van BOG. zelf. Opgroeien is een combinatie van toevalligheden, bewuste en onbewuste keuzes, samenlopen van omstandigheden en ik leg er hier enkele naast elkaar. Deze tekst is een reflectie vanuit mijn perspectief als dramaturg, sinds het begin deel van de groep en de creatieprocessen. Daarnaast ben ik ook een beschouwer die kijkt naar wat BOG. maakt en waarom, hoe we een weg proberen te vinden tussen ideaal en realiteit, welke verbanden dat heeft met andere theatermakers en de wereld waarin we opgroeien. In deze tekst staat er de ene keer ‘we’ en de andere keer ‘ze’. BOG. is een collectie van zes mensen maar ook van vier makers plus twee ondersteuners, waarvan één de ‘ik’ uit deze tekst.

 

Vijf jaar nadat we begonnen met een geheel mensenleven te herstructureren, maken we nu met KID. een voorstelling over volwassenen en kinderen, voor kinderen en volwassenen. We maken twee voorstellingen tegelijkertijd in dezelfde ruimte, gescheiden door een wand. Het is auditief één voorstelling die van twee kanten te bekijken is. De kinderen zitten aan de voorkant en zien een voorstelling waarin spelers verkleed in dierenpakken vertellen hoe de volwassene ruikt en eruit ziet, wat -ie doet en denkt. Aan de achterkant horen de volwassenen wat de spelers zeggen, hoe de kinderen reageren en worden ze geacht mee te helpen de voorstelling gaande te houden door bijvoorbeeld rekwisieten aan te geven en de pauzeliedjes te zingen.

Voor KID. lezen we een boek van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman over opgroeien en volwassenheid. Ze beschrijft hoe kinderen geneigd zijn om dat wat hen wordt aangereikt voor waar aan te nemen. Kinderen zijn filosofische optimisten: de wereld wordt steeds begrijpelijker en als we het eeuwige leven hadden zouden we ooit alles kunnen weten. Daarna komt de scepsis, dat ‘typische mengsel van teleurstelling en uitbundigheid’ van de tiener die ontdekt dat de wereld anders is dan ouders en docenten ons hebben aangeleerd (zij weten het net zo min) of dan ze idealiter zouden willen (niet iedereen is eerlijk en rechtvaardig). Na het oneindige vertrouwen van het kind en het permanente wantrouwen van de puber komt het er voor de volwassene op aan om bewust te balanceren tussen die twee. Volwassenheid betekent niet dogmatisch vasthouden aan je idealen en de werkelijkheid ontkennen maar ook niet je idealen opgeven en je neerleggen bij hoe het nu eenmaal gaat.
Hoewel beiden heel verleidelijk zijn en veel voorkomen onder volwassenen getuigen ze wat Neiman betreft niet van volwassenheid. Opgroeien betekent de kloof onder ogen zien tussen hoe je de wereld ervaart enerzijds en hoe je de wereld zou willen zonder de hoop voor je idealen of de realiteit op te geven.

 

Het maken van KID. werpt ook een nieuw licht op de volwassenwording van BOG. zelf. De voorstelling lijkt een fase te markeren in de ontwikkeling van beginnend naar een gevestigd gezelschap. KID. doet denken aan onze eerste voorstelling omdat het ook gaat over menselijke levensfases, met het grote verschil dat BOG. niet meer een groep veelbelovende nieuwe makers is, geen jonge honden. Naast een klein oeuvre van zeven voorstellingen heeft BOG. inmiddels een kantoor met printer, een plan voor de toekomst en dankzij dat plan vier jaar lang subsidie van de Nederlandse overheid. Maakt dat ons als gezelschap volwassen in de saaie zin van het woord? Hoe zorgen we dat we, ondanks dat plan, de toekomst open tegemoet treden en zelf blijven balanceren tussen idealen en realiteit?

Volwassen worden als gezelschap en mens verloopt bij BOG. anders dan gedacht en naar mijn idee wordt dat het best verwoord door hoop. Neiman is niet de enige die dat woord zo nadrukkelijk gebruikt (of valt het mij zo op?). Enkele maanden voor het maken van KID. deelde BOG. inspiratiemateriaal met elkaar. Samen lazen we een essay van Rebecca Solnit dat Benjamin had meegenomen. Solnit schrijft al geruime tijd over uiteenlopende onderwerpen waarbij hoop vaak de achterliggende drijfveer vormt. Haar essays zijn niet alleen geliefd bij BOG. maar bij vrienden, generatiegenoten en niet-generatiegenoten en Woolfs Duisternis dat bij ons op tafel lag, duikt regelmatig op sinds het vorig jaar in het Nederlands is vertaald. Het stuk, dat losjes rond werk van Virginia Woolf en Susan Sontag cirkelt, is een overtuigend pleidooi voor onzekerheid en hoop is inspirerend omdat het nieuwe mogelijkheden opent en laat zien dat er een kloof is tussen denken en doen, tussen ideaal en werkelijkheid maar dat probleem onder ogen durft te zien waardoor het bijna oplost. ‘Wanhoop is een vorm van zekerheid, de zekerheid dat de toekomst weinig zal verschillen van het heden of minder goed zal zijn; wanhoop is een overtuigd geheugen van de toekomst (…) Optimisme is net zo overtuigd van wat er zal gebeuren. Allebei zijn ze redenen om niets te ondernemen. Hoop kan het besef zijn dat we dat geheugen niet hebben en dat de werkelijkheid niet per se overeenkomt met onze plannen.’ Dat mensen het woord hoop zonder schroom gebruiken, zonder dat het zijig en vaag klinkt, stemt hoopvol.

© Jan Rymenants